Passage over 'wilsvermogen': een duistere tekst?

Onlangs had ik een discussie met iemand die behoorlijk goed in de Ethica is gedoken, over de betekenis van de tekst in het midden van het scholium bij stelling 48 in het tweede deel ervan (die ik zo dadelijk zal citeren). In de laatste twee stellingen en het zeer lange scholium bij de laatste stelling dat ook wel beschouwd wordt als het appendix bij dat tweede deel, is Spinoza bezig met uit te leggen dat er geen ‘absolute of vrije wil’ bestaat. Hij doet dat ondermeer door uit te leggen dat er in onze geest helemaal geen vermogen of faculteit ‘wil’ en ook niet ‘verstand’ bestaat, alleen maar ideeën en wilsuitingen.

Midden in dat scholium bij 48 is daar dan ineens te lezen (in de vertaling van Henri Krop):

“Alvorens verder te gaan, moet ik hier echter de aandacht vestigen op het feit dat ik onder de wil, het vermogen om te bevestigen en te ontkennen versta en niet de begeerte. Het is het vermogen waarmee de geest waarheid of onwaarheid bevestigt of ontkent en niet de begeerte waarmee de geest iets verlangt of van iets een afkeer heeft.”

Voor mij is duidelijk dat Spinoza hier nauwkeurig de opvatting geeft die hij bestrijdt; dit vermogen bestaat wat hem betreft immers niet. Hij definieert het a.h.w. om duidelijk te maken wat het precies is dat hij ontkent! Dat dit, wat hij zó omschreven heeft, niet meer is dan een algemeen begrip – dus een niet in werkelijkheid bestaand gedachteding.

Maar mijn gesprekspartner houdt vol: het citaat geeft niet de opvatting weer die Spinoza bestrijdt, maar bevestigt haar juist.
Hoe kun je dat zo lezen?

Dit is toch vreemd. Dan zou Spinoza er wel erg merkwaardige opvattingen op na houden. Dan zou hij midden in een tekst-omgeving waarin hij dat vermogen met alle mogelijke middelen aan het onderuithalen is, ineens zelf bevestigen dat het (de vrije wil als vermogen) toch bestaat? Wat je nauwkeurig omschrijft of definieert bestaat immers…?
Dan zou dus juist het feit dat hij er duidelijkheid over wil laten ontstaan waartegen hij zich precies verzet (en waartegen niet) tegen hem werken? Ja, die paar woorden had hij er beter bij kunnen zetten (“let wel lezer: dit is dus waartegen ik mij verzet!”), maar hij rekent op begrijpende lezers. Hij wil duidelijk zijn, maar niet kleineren.

Laten we nog eens zien wat Spinoza daar aan het doen is en waar het hem om gaat.

In stelling 48 zegt hij dat een absolute of vrije wil, een wil zonder oorzaak, niet bestaat. Als een geest wat wil, wordt hij door een oorzaak daartoe aangezet, die op zijn beurt is veroorzaakt en zo verder.

In het scholium legt hij uit dat datzelfde ook geldt voor andere geestelijke aspecten als: kennen, begeren, liefhebben. Ook voor die geestelijke activiteiten hebben we geen vrij en onveroorzaakt apart vermogen. We kunnen er wel namen aan geven (verstand, wil), maar dat zijn ‘algemene begrippen’ die niet iets aparts aanduiden dat naast de individuele zaken (een idee, een willing) zou bestaan.

Daarvan maakt hij voor nog grotere duidelijkheid nog eens een aparte stelling 49: “Er bestaan in de geest alleen wilsuitingen, met andere woorden bevestigingen of ontkenningen, die een idee qua idee insluiten.”
Via de tussenstelling (“De wil en het verstand zijn één en hetzelfde”; wat in zekere zin een grapje is, want ‘de wil’ en ‘het verstand’ bestaan niet echt) geeft hij een zeer uitvoerig scholium waarin hij laat zien hoe en waarom velen (Cartesianen voorop, maar ook de common sense) ertoe komen om dat anders te zien.

Waar verzet Spinoza zich nou precies tegen? Hij verzet zich tegen de voorstelling dat wij (in onze geest) zó in elkaar zouden zitten: wij ontvangen een beeld of er ontstaat in ons een idee en vervolgens legt ‘het verstand’ dat denkbeeld voor aan een instantie (‘de wil’) die vervolgens een uitspraak doet of ie het ermee eens is of niet; anders gezegd, of hij het als juist of waar erkent - bevestigt of ontkent.
Nee, zegt Spinoza, zo werkt het niet. Zo’n aparte instantie (vermogen of faculteit) hebben we niet: het hebben of krijgen van een idee bevat als idee al in zich een bevestiging of ontkenning van datgene waar we een idee van hebben (het ideatum).
Hij pareert vier tegenwerpingen tegen zijn voorstelling van hoe onze geest werkt. Die ga ik hier niet langslopen. Hier ga ik terug naar de geciteerde ‘definitie’ midden in het scholium bij stelling 48. Zou Spinoza daar ineens bevestigen dat er wél zo’n wilsvermogen bestaat, terwijl hij alles uit de kast haalt om te laten zien dat die niet bestaat? Ja, zegt mijn opponent: lees maar wat daar staat:

“Alvorens verder te gaan, moet ik hier echter de aandacht vestigen  op het feit dat ik onder de wil, het vermogen om te bevestigen en te ontkennen versta en niet de begeerte. Het is het vermogen waarmee de geest waarheid of onwaarheid bevestigt of ontkent en niet de begeerte waarmee de geest iets verlangt of van iets een afkeer heeft.”

Maar je moet dat uiteraard zo lezen:

Versta mij goed, lezer van mijn Ethica, ik loop hier niet te beweren dat we geen conatus zouden hebben. Ik ontken niet dat we begeerten hebben, waarmee de geest iets verlangt of van iets een afkeer heeft. Wat ik ontken, en waar het me hier om gaat, is de opvatting dat we een apart wilsvermogen hebben, een onveroorzaakt vermogen om dingen apart te bevestigen en te ontkennen. In het voorgaande en in wat nog volgt gaat het me dáárom en niet om de begeerte (die immers ook, zo zal ik in het scholium bij stelling 9 van het volgende deel schrijven, ‘wil’ wordt genoemd, wanneer de conatus uitsluitend in verband wordt gebracht met de geest).

Het (veroorzaakte) conatieve aspect van de geest ontkent en bestrijdt Spinoza uiteraard niet, maar wel dat aparte vermogen, dat hij op die plek nog eens a.h.w. extra duidelijk omschrijft als de opvatting die NIET de zijne is. Wellicht om de lezer te waarschuwen zet Wim Klever in zijn Ethicom (blz 245) in de betreffende passage 'wil' tussen aanhalingstekens, waarschijnlijk ook als een vlaggetje dat hij uitsteekt om te zeggen: pas op lezer, er staat niet wat er lijkt te staan!

Meteen in de erop volgende zin maakt Spinoza nog eens duidelijk dat ‘wij bewezen hebben’ dat die – nu scherp omschreven - vermogens algemene begrippen zijn en in wat volgt gaat hij daarop door, behandelt hij namelijk de vraag “of er in de geest een andere [aparte] bevestiging of ontkenning bestaat dan die welke het idee als zodanig insluit” [die al in de idee zelf vervat zit]. Niet dus. Kortom, de tekst “Alvorens verder te gaan, moet ik hier echter de aandacht vestigen op het feit dat ik onder de wil, het vermogen om te bevestigen en te ontkennen versta en niet de begeerte. Het is het vermogen waarmee de geest waarheid of onwaarheid bevestigt of ontkent en niet de begeerte waarmee de geest iets verlangt of van iets een afkeer heeft,” geeft niet Spinoza's opvatting weer, maar juist de opvatting die hij bestrijdt. QED.

Reacties

Stan,
1. In 2p48s stelt Sp., na zijn definitie van 'de wil' gegeven te hebben, dat dat dit één van die 'algemene begrippen' is 'die zich niet van de individuele dingen waaruit ze gevomrmd zijn onderscheiden'.
2. De definities van 'de wil' in 2p48s, en die van de 'individuele wilsuitingen' in 2p49 zijn precies hetzelfde: ze zijn bevestigingen of ontkenningen
3. In 2p49c hanteeert Sp. de termen 'de wil' en 'het verstand'. Ten overvloede geeft hij in het bewijs aan wat hij onder 'de wil' en 'het verstand' verstaat, namelijk 'de individuele wilsuiting en het bijzondere idee'. Daarbij verwijst hij naar wat hij gezegd heeft in 2p48+scholium.
4. Dus: 'De wil' (2p48s) = 'de individuele wilsuiting' (2p49) = 'het vermogen waarmee de geest waarheid of onwaarheid bevestigt of ontkent' (2p48) = 'bevestigingen of ontkenningen' (2p49).
Conclusie:
Spinoza geeft in 2p48s wel degelijk een ware definitie van wat hij onder 'de wil' verstaat. Deze is namelijk dezelfde als die van een wilsuiting.

Adrie,
Hoe kan Spinoza een ware definitie geven van iets, 'de wil', dat niet bestaat? Algemene, abstracte begrippen hebben geen eigen realiteit buiten de concrete, individuele dingen waaruit ze – maar confuus - gevormd zijn; het zijn denkdingen.
In IIp49s wijst Spinoza op "het gemak waarmee we ons vergissen als wij algemene begrippen en bijzondere begrippen door elkaar halen en zijnden van het denken of abstracte zaken met werkelijke dingen verwarren."
'De wil' is zo'n algemeen begrip, net als 'de mens'.
Zoals 'de mens' niet bestaat, maar mensen bestaan (zoals Peter en Paul); in al die concrete mensen is het 'mensachtige' uniek, zodanig dat een algemeen geldig en goed definieerbaar mensbegrip daaruit niet is te abstraheren.
Net zo bestaat 'de wil' niet, maar bestaan 'willingen', waaruit iets als 'de wil' niet als algemeen begrip is te abstraheren en geldig te definiëren.
En 'het verstand' bestaat niet, ideeën bestaan.
Willingen zijn niet anders dan ideeën en dat zijn de begrippen van het denken. Ideeën zijn op zich als idee al bevestigingen of ontkenningen in de geest (IIp49)
Je kunt niet zeggen 'de mens' is hetzelfde als 'een mens'.
Zo kun je ook niet zeggen 'de wil' is hetzelfde als 'een wilsuiting'.
Dat is dingen verwarrend door elkaar halen.

In de door jou, Stan, geciteerde en vet gedrukte passage is het daarin gebezigde woord 'vermogen' ('facultatem') niet pregnant gebruikt. Het gaat hierin niet bepaald over de vraag of er wel of geen vermogens in de ziel zinj; dat is een reeds uitgemaakte zaak; die zijn er niet.De vermogensleer is archaisch en middeleeuws en heeft Spinoza blijkens zijn eerste brief al ver achter zich gelaten. De klemtoon ligt anders: wat is willen? Willen is YES, NO; x metterdaad bevestigen of ontkennen, waarbij x het voorgestelde/ gedachte is. Willen is niet: x (slechts) begeren. Je zou- om je moeilijkheid te ondervangen, in een parafrase van de betreffende passage het beste het woord 'vermogen' achterwege kunnen laten. Bijvoorbeeld aldus: "Alvorens verder te gaan, wil ik er op wijzen, dat ik onder willen de ACTUALITEIT (of: WERKELIJKHEID)van bevestigen of ontkennen, en niet van begeren, versta'.

Adrie, Je hebt groot gelijk dat je niet meer op mijn laatste reactie reageerde: je had je punten voldoende duidelijk gemaakt en hebt er gelijk in. Ik besefte vannacht dat mijn antwoord aan jou eigenlijk een boze reactie naar Spinoza betrof. Ik vond dat hij het niet kon maken om de zaken zo te verwarren.
Gelukkig haalt Wim die reden voor boosheid uit de lucht - daar ik hem nu beter begrijp (zowel Spinoza als mijn boosheid). Iets klopte er niet in die tekst. Ik zocht dat in de verwarring van algemene en bijzondere noties. Wim wijst erop dat de verwarring eigenlijk stamt van het gebruik (misschien de hertaling) van 'vermogen' of faculteit.
Misschien kun je zeggen brengt Spinoza het vermogensbegrip weer terug naar het eigenlijke, eerste niveau van de potentia die wij zijn en waarover wij beschikken, terwijl hij het bestaan van aparte vermogens binnen dat vermogen (zeg maar de tweede niveau vermogens) ontkent.

Stan,
1. Ik denk dat het verwarrende in de door jou vetgedrukte passage is dat Spinoza universalia afwijst omdat ze empirische rationalisaties zijn van gelijksoortige zaken, maar er gelijktijdig gebruik van maakt, en van moet maken, omdat taal zowel het vehikel is van libelle-juffrouwen in een knopenwinkeltje als van mensen met geniale gedachten. Ieder mens begint zijn taalkundige carrière met 'pappa' en 'mamma', en dit zijn geen notiones communes. Iedere Libelle-juffrouw is dus in principe in staat om het genie te verstaan en te begrijpen. Dat laat dus tevens onverlet dat Sp. over 'de wil' kan spreken, maar er wel zijn eigen definitie aan geeft, die dezelfde is als die van de afzonderlijke willingen.
2. E2p49s is een lang argument tegen de menselijke vrije wil, zoals dat geformuleerd is door Descartes, en dat Descartes nodig had om onbegrijpelijke geloofsdogma's als de Drieëenheid,maagdelijke geboorte enz. ongemoeid te laten in zijn filosofie. Het is de pendant van E1app die een pleidooi is tegen de goddelijke vrije wil als ontwerp en doel, zoals die geformuleerd is door de godsdienst.

Stan, ik zie dat, terwijl ik mijn reactie op je 1e repliek formuleerde, je zelf al tot de oplossing kwam, zodat mijn 2e repliek overbodig is.

Adrie, gelukkig had je mijn reactie nog niet gelezen, want die zou je anders misschien van deze fraaie hebben afgehouden. Je tweede repliek is bepaald niet overbodig. Je roept een fraai beeld op: ik zie ze voor me - de Libelle-juffrouw die in de Ethica aan het lezen is. Of ook mooi: de Libelle die een rubriek over de Ethica begint.

Stan, Dit is precies de passage waar ik gisteren ook wat langer naar keek vanuit die vrije-wil-bestaat-niet-discussie. Bij deze mijn gepuzzel en bepeinzingen. Het is de passage die Swaab aanhaalt in "Wij zijn ons brein". Wanneer Spinoza een oproep doet de passies (is goed te vergelijken met 'verslavingen') te matigen, veronderstelt dat iets wat wij een 'wil' plegen te noemen. Neurobiologisch zitten de passies in een keten, waaraan ook de hormoonsystemen (de fysiologische systemen) vast zitten. Uit de passage blijkt hoezeer Spinoza zich richt op het 'zuiveren' van 'voorstellingen' en over het matigen van de passies, doet hij geen uitspraak. In tegendeel, hij roept op hierover meer kennis te verwerven. Met alle respect voor Spinoza, hoever hij is gekomen met inzicht in de hersenen, hier zit hier ook wel een zwak punt van hem: hij schetst wel een erg statisch beeld van de mens, heeft weinig oog voor de dynamische processen tijdens het leven, die mensen nog kunnen veranderen. Terwijl hij zelf wel zijn begeerten en passies beïnvloedde! Ik vergeleek de vertaling van Krop en die van van Suchtelen. Het viel me op dat Krop 'percipere' (dat is waarnemen, verbonden met voorstellingen) vaak vertaalde met 'begrijpen', waardoor de 'rede' een hoofdrol krijgt, omdat hiermee de voorstellingen 'gezuiverd' kunnen worden, terwijl van Suchtelen 'begrijpen' koppelt aan 'intellectus' = 'verstand', waarin de rede ten dienste staat aan het 'intuïtieve verstand'. Ik denk dat van Suchtelen het 'neurobiologisch' wint: het intuïtieve verstand is verbonden aan de fysiologie, emoties en intentionaliteit. Dit is verbonden aan de duurzame essentie van de mens en gaat vóóraf aan het verkrijgen en vormen van 'voorstellingen', die afhankelijk zijn van de omstandigheden van tijd en plaats. Het lijkt me voor die vrijewil-discussie en de rol van Swaab en Lamme hierin, verduidelijkend aan te geven, dat Swaab (pg 393) zegt: 'Kunnen wij ons er niet beter bij neerleggen dat een volledige 'Vrije Wil' een illusie is" (hiermee keert hij zich tegen eeuwen van dat de mens in hoge mate verantwoordelijk wordt gesteld voor de eigen daden), minder absoluut is dan Lamme. Deze laat in "De vrije wil bestaat niet" weliswaar een reeks directe reacties laat zien, die zijn titel lijken te bewijzen, maar houdt geen rekening ermee houdt dat de mens ook is gedetermineerd om na te denken, en daarmee zichzelf voor de langere termijn zijn toekomstige reacties enigszins kan bijsturen. Dit bijsturen kan je dan ook wel weer gedetermineerd vinden, en is dat waarschijnlijk ook, maar dát heeft de wetenschap en Lamme ook nog niet onderzocht en in 'heldere en welomschreven begrippen' uiteengezet.

@ Margreet
Ik denk dat het beeld dat Spinoza van de mens schetste bepaald niet statisch is. Vergeet niet dat hij de mogelijkheid ziet dat wij onze macht om in ons bestaan te volharden kunnen VERGROTEN.
Waar je schrijft “over het matigen van de passies, doet hij geen uitspraak. In tegendeel, hij roept op hierover meer kennis te verwerven,” dan is zijn aanbeveling om van die kennisverwerving een soort passie te maken toch juist zijn voorstel om meester over de passies te worden? Daar zit geen tegenstelling in. Daarin, in het niet-oproepen om de passies te matigen, is hij precies geen stoïcus. Maar hij levert ons wel zijn reëel haalbare aanpak.
Als we nl. via het vergroten van onze ware kennis, zorgen dat we daarvan geleidelijk aan een passie maken, dan kan die versterkte en sterkere ‘kennis-passie’ de andere passies die ons verslaafd doen zijn, overwinnen. Dat gaat echt niet van de ene dag op de andere, dus zit daar wel degelijk een levensloopperspectief én een flink stuk dynamica in.

In het vertalen van 'percipere' met 'begrijpen' zie ik geen probleem (maar ik ben geen classicus). Begrijpen is typisch en altijd de activiteit van het verstand. Echt begrijpen, werkelijk in- en doorzien, gaat altijd gepaard met intuïtie. En die kan ofwel rechtstreeks doorkomen, ofwel de volgende stap zijn na het analyseren en redeneren met 'rede' - na de tweede vorm van kennis kan een AHA volgen. Percipere kan (zeker als duidelijk de zintuigen in beeld zijn) als waarnemen vertaald moeten worden, soms als ‘begrijpen’ van de rede en soms als het inzien met de intuïtie. In zekere zin is percipere, gekoppeld aan het intellect, een metaforisch gebruik ervan – zoals Spinoza ook een keer beeldend spreekt over ‘bewijzen als ogen van het verstand.’
En voor de duidelijkheid: niet alleen geldt, zoals jij schrijft, “het intuïtieve verstand is verbonden aan de fysiologie, emoties en intentionaliteit”: alle modi van de geest hebben een connectie met modi van de uitgebreidheid.

Tenslotte, of Swaab minder absoluut is dan Lamme in het ontkennen van de vrije wil, laat ik graag in het midden (maar ik heb zo m’n twijfel).

Een anonymus schrijft mij via de e-mail:

De opmerking van Margreet Brandes t.a.v. ‘percipere’ is zo gek nog niet, want Spinoza prefereert zelf wel degelijk om ‘perceptio’ te onderscheiden van ‘conceptus’ ( Zie EIID3; de vertaling van Van Suchtelen is ook hier stukken beter dan die van Krop). Conceptie is bij Spinoza puur geestelijk, terwijl er bij perceptie ook nog van een uitwendig object sprake is.
[Ik geef dit zonder verder commentaar gewoon even door.]

Over 'percipere'. En ook ik ben geen classicus. Margreet Brandes geeft voor 'percipere': begrijpen dat verbonden is met een voorstelling. Geeft het woordenboek dat? Bij Spinoza is dit in elk geval niet te vinden. In E2p11c presenteert Spinoza 'percipere' als een activiteit van het intellect (van de menselijke geest in zover hij deel is van het oneindige intellect). In E1def4 zegt hij dat het intellect het wezen van de substantie (en ook de substantie) kent door de activiteit van 'percipere' (E1def4). 'Percipere' lijkt me een volwaardige activiteit van het intellect, die zeker niet wordt ingeperkt doordat er een voorstelling aan verbonden is. Spinoza maakt in E2def3 ook geen principieel onderscheid tussen 'perceptio' en 'conceptus'. Hij wil een misverstand vermijden: 'perceptio' zou mensen in de verleiding kunnen brengen te denken dat het om iets passiefs, iets ' ondergaan' gaat. Dat misverstand wil hij voorkomen, daarom 'conceptus'.

Stan,
1. P e r c i p e r e wordt in de TIE gebruikt voor de vier verschillende kennissoorten. Theo Verbeek vertaalt deze met 'percepties', maar zegt in zijn commentaar bij de vertaling van de TIE hierover het volgende (blz 99): "Het gaat niet om alle percepties maar alleen om die welke de basis vormen van beweringen die zeker zijn - vandaar dat bepaalde nogal voor de hand liggende 'percepties' (zoals zintuiglijke waarneming van een materieel ding) ontbreken. ... Spinoza spreekt over 'percepties' (ideeën) als basis van beweringen (bevestigingen en ontkenningen), dat is van oordelen - terwijl volgens zijn eigen filosofie een idee geen 'perceptie' is, maar iets actiefs (dat daarom eerder 'concept' heet) ... De door Spinoza onderzochte 'percepties' zijn dus in werkelijkheid cartesiaanse ideeën als grondslag voor een zeker oordeel."
Conclusie: bij 'perceptio' doet het al of niet aanwezig zijn van een uitwendig object niet ter zake, want het gaat om beweringen die in meerdere of mindere mate zeker zijn, al of niet in de aanwezigheid van een uitwendig object.
2. B r a n d e s beweert in haar reactie: "het intuïtieve verstand is verbonden aan de fysiologie, emoties en intentionaliteit", en haalt vervolgens Swaab en Lamme erbij om Spinoza te verduidelijken. Ik denk dat het tegendeel het geval is. Bij Spinoza gaat het intuïtieve denken om reflexief denken, d.w.z. denken aan de idee van de idee (zie de TIE), los van de fysiologie, los van de emoties en los van intentionaliteit, die de oorzaak zijn van de inadequate ideeën. Het intuïtieve denken kan wel over concrete zaken gaan, maar dan los van hun context, want verbonden met de idee van God. Door het intuïtieve denken neem je zelfs direct deel van het verstand van God, zonder de (inadequate) omweg van fysiologie, emoties en intentionaliteit.
Conclusie: Swaab en Lamme dragen, in tegenstelling tot wat Brandes beweert, juist niet bij aan de vrije wil-discussie bij Spinoza, omdat zij geen enkel inzicht geven over de rol van het verstand (intellectus) in hun La Mettrie-achtige 'L'homme machine' ideeën.

Nogmaals percepties, nu n.a.v. Adrie Hoogendoorn.
Als iemand iets 'percipieert' dan heeft hij een idee (E2p11c). Percepties c.q. ideen zijn gerelateerd aan het intellect (eveneens E2p11c). Waar haalt men het vandaan dat een perceptie geen idee en passief zou zijn? In elk geval niet uit de Ethica (zie mijn vorige commentaar). Noch een 'perceptie', noch een 'idee' zijn passief. En noch een 'perceptie' noch een 'idee' zijn de basis voor een oordeel, zij ZIJN een oordeel.
PS Ik denk dat de Ethica in dit soort zaken het laatste woord moet hebben.

Ik moet denk ik een beetje gas terugnemen. In E2p49 lijkt Spinoza 'sentire' en ' percipere' over een kam te scheren: 'eâdem sentiendi facultate possumus sentire, sive percipere'. In E2p29s spreekt Spinoza ook over de geest die de dingen waarneemt ('percipit') vanuit de gewone orde van de natuur. Aan de andere kant kent het verstand de substantie, haar wezen en de attributen via 'percipere' (E1def4). In E2p11c koppelt Spinoza 'percipere' aan de werking van het verstand. Het lijkt er dus op dat er een 'streng' gebruik van het woord is en een 'losser' gebruik. Misschien kan iemand mij daar meer duidelijkheid over geven?

Henk,
Nogmaals Verbeek, maar nu in het hoofdstuk 'Glossary' van de Continuum Spinoza, lemma 'Percipio': "As in art. 19 of Descartes' Passions de l'âme, in Spinoza's work 'percipere' and its derivatives ususally figure as the most general terms for whatever goes on in the mind." Verderop in het lemma vermeldt hij het, ook door jou gesignaleerde, gebruik van de term in de definitie van attribuut in E1d3, en het bewust en geargumenteerd vermijden van de term in de definitie van idee in E2d3.
Conclusie:
Ik denk dat we het beste Verbeek's definitie kunnen gebruiken: percipere is een algemene term voor datgene wat gebeurt in de geest

Stan, Henk, Wim, Adrie en vooral anonymous,

Bedankt voor jullie reacties, het is leuk de degens te kruisen, maar om Spinoza b.v. in het lespakket te krijgen en niet alleen van 'hij is onze grootste filosoof' moet deze tegenstelling over al of niet de vrije wil zijn opgelost. En aangepast zijn aan de kennis van nu, of Spinoza het nu goed of fout had. Omdat hij vooral over de 'hersenen' schrijft, vergelijk ik hem met huidig neurowetenschappelijk inzicht. Het lastige, maar ook uitdagende, is dat op deze wetenschap op dit moment erg beweging is. Dus niet alleen spinozisten staan tegenover elkaar, ook neurowetenschappers, juist die wetenschappers, die Spinoza in positieve zin onder de aandacht brengen, zoals Damasio en Swaab, zitten niet helemaal op één lijn. Dan noem ik Frans de Waal nog niet eens!

Volgens mij lopen een aantal lijnen daar elkaar heen. Het allerbelangrijkste is, dat de ratio, het intuïtieve en de 'voorstellingen' weliswaar te onderscheiden zijn, maar niet te scheiden in het totale verstand. Het zijn schakels in cyclische circuits, die verbonden zijn met het lichaam. Omdat dit cyclisch werkt, denk je dat je overal kunt beginnen. Toch is de intentionaliteit bij de foetus, vertaald in hormonen, uiteindelijk nr 1. Dan pas de 'voorstellingen'. De eerste kan je eeuwig noemen, verbonden aan beweging, richting kiezen. De 2e, het zich actief! verwerven van voorstellingen daarom heen, zijn van de veranderlijke, tijdelijke omgeving. heeft meer met 'uitgebreidheid' te maken.

Uiteindelijk is alles wel bij Spinoza te vinden, omdat hij een logische, rationele analyse geeft. Ik ben het dus ook wel met je eens, Stan, dat Spinoza ook veel dynamisch heeft. Maar hoe hij dat precies vertaald naar de mens, daar kun je nog wel wat vraagtekens bij zetten. Heeft ook te maken met de periode waarin hij leefde, wat toen van belang was om allereerst te benadrukken en dat de fysica b.v. nu ook weer verder is. Ik geloof dat Einstein pas Newton en Huygens in één systeem bracht.

Hopelijk blijven jullie met mij mee- of desnoods tegendenken!. In ieder geval is op dit moment volgens mij de verduidelijking van de 'wil' en daarmee 'Spinoza in het lespakket' erbij gebaat, zich te realiseren dat 'de-vrije-wil-bestaat-niet' hoort bij 'ratio'nele kennis, analyse van oorzaak-gevolg en 'leve de vrije wil' in een 'ethisch' debat, die kennis heeft meer te maken met het intuïtieve, aan emoties gekoppelde, verstand. Men noemt dit wel een discursief verstand, geloof ik. Vergeet Van Suchtelen, Krop en Verbeek toch even. Zij hebben genoeg bijgedragen en gezwoegd.

Met Henri Krop in de studiegroep TIE

Gisteren had ik het geluk met Henri Krop (vanuit zijn vak als historicus van de wetenschapsfilosofie) verder te kunnen praten. Dat gesprek leverde heel veel op!

Ik opende meteen de aanval op 'Rotterdam'. Nl dat ze daar basisbegrippen als 'ratio', 'intuïtief verstand', 'verstand' niet definiëren. Vooral 'ratio' is een belangrijke begrip, omdat de Verlichting omschreven wordt als de opkomst van het 'rationalisme'.

In een leuk gesprek met de hele groep kwamen we op het volgende:
1. In Krop's vertaling spelen de 'voorstellingen' een belangrijker rol dan bij van Suchtelen. Dit komt omdat hij er vanuit gaat dat Spinoza toch nog veel aristoteliaanse ideeën heeft. Het idee van zien is 'deeltjes die tegen een oog botsen'. Ik geloof dat mijn conclusie dat Spinoza op dit punt iets statisch en achterhaalds heeft, juist is. Ook mogelijk mijn vermoeden dat Spinoza meer heeft met Newton dan met Chr Huygens (later zoals ik schreef door Einstein theoretisch vereend).

2. Wat betreft de definities en wetenschappelijke methodes: de inhoud van het begrip 'ratio', rede is in de loop van de tijd inhoudelijk behoorlijk verschoven! In het gewone taalgebruik, maar vooral in de wetenschappelijke methodologie! Het is verengd tot oorzaak-en-gevolg-analyses. Het systematisch zoeken naar essenties was ik tegengekomen in de fenomenologie (men spreekt daar van "Wesenschau"), een geminachte methode in de huidige gedragswetenschappen. De fenomenologie is uitgewerkt door Husserl, waarschijnlijk onder invloed van colleges, die Hegel ('Phaenomenologie des Geistes') over Spinoza gaf. (By the way, de colleges over Spinoza van Hegel beïnvloedden ook Marx, in de 'Internationale' zingt men van 'begeerte heeft ons aangeraakt' en Max Stirner met zijn 'der Einige und sein Eigentum'). De huidige wetenschap zit op de positivistische lijn van methodes alleen gericht op 'oorzaak-gevolg' en weet daarom nog steeds weinig raad met emoties. Deze zijn nl niet direct aanwijsbaar en niet onderzoekbaar zonder taalanalyse.

3. Krop bracht ook hoofdstuk 7 van de TPT ter sprake. Hoera, dit vind ik een briljant hoofdstuk, waarvan de waarde niet wordt gezien als je wetenschap alleen maar 'positivisch' opvat. Dat Spinoza tot de conclusie komt dat wij, ook de meest eenvoudige van geest, een verstand moeten hebben dat niet-logische bijbel-verhaaltjes begrijpt en er iets mee kunnen doen! Volgens mij het 'intuïtieve verstand'. Hiermee komt hij uit op wat pas recent is aangetoond, nl de spiegelneuronen!

4. Of we in God geloofden of niet, we vonden Spinoza leuk en inspirerend!