Spinoza’s conatus-begrip, teleologie en het commentaar van Jonathan Bennett

Tegenwoordig zien we Spinoza’s conatus-begrip als een van de belangrijkste uit het derde Deel Van de Ethica, terwijl daar vroeger weinig of geen aandacht voor was. Die grotere aandacht zal wel voortgekomen zijn uit de grotere interesse voor het begrip ‘macht’ (als potentia en potestas) bij Spinoza in de jaren 1960 in Frankrijk van overwegend marxistisch georiënteerde denkers, die over de hele linie voor een grote heropleving van de Spinoza-receptie zorgden. Het blijft overigens een niet-simpel begrip en de betekenis ervan in het geheel van de Ethica is niet zomaar geheel duidelijk en klaar.

Jonathan BennettMijn aanleiding voor dit blog is het voornemen van de Spinoza Kring Limburg om over een week de bespreking van het derde Deel van de Ethica af te ronden. De vooraf toegezonden opmerkingen van enige deelnemers prikkelden mij om Jonathan Bennett's invloedrijke A Study of Spinoza’s Ethics (1984) te herlezen, althans de hoofdstukken 9 (Goals), 10 (Self-preservation) en 11 (Affects) die ik beschouw als de centrale body van het boek, hoewel alle hoofdstukken van belang zijn.

Bennett geeft zo goed en zo kwaad als hij ze waarneemt, Spinoza’s bedoelingen weer, zijn kritiek op enige volgens hem niet voldragen bewijzen die hij tracht te verbeteren, waarna hij zijn kritiek verder uitdiept. Een uiterst kritische is deze in de analytische filosofie gevormde lezer van Spinoza.

Spinoza ontwikkelt de conatus-stelling 3/7 uit het feit dat geen enkel ding kan worden vernietigd dan door een externe oorzaak (stelling 3/4), hetgeen voor Spinoza vanzelf spreekt daar de definitie ofwel essentie van het ding gesteld wordt en niet ontkend of opgeheven. Welnu, zo’n iets dat een externe oorzaak van vernietiging en dus een daaraan tegengestelde natuur heeft, kan niet samen met het vernietigbare ding in één individu verenigd zijn (stelling 3/5). En passant wijs ik erop dat waar ik hier “één individu” schreef, Spinoza “hetzelfde subject” schreef. Het is de eerste plaats van weinige waar Spinoza de term ‘subject’ hanteert.

Dit leidt tot de concluderende stelling 6: “voor zover ieder ding in zichzelf is, probeert het in zijn bestaan te volharden (in suo esse perseverare conatur).” Dat wil zeggen: als we alleen maar naar het ding op zich kijken en even afzien van de omgeving, zien we dat alle dingen (modi van Gods attributen) het vermogen van God, waarmee God bestaat, uitdrukken en tegengesteld zijn aan wat hun bestaan kan opheffen. In het Scholium bij 2/45 had Spinoza er al op gewezen dat “hoewel elk enkelding door een ander wordt bepaald om op een zekere manier te bestaan, de kracht waarmee het in het bestaan volhardt, voortkomt uit de eeuwige noodzaak van Gods aard.” En dat brengt tot stelling 7: “Het streven (conatus) waarmee ieder ding in zijn bestaan probeert te volharden, is niets anders dan de feitelijke essentie van dat ding.”

Er zijn diverse thema’s en problemen opgeworpen bij deze stellingen 4 t/m 9 met bewijzen en scholia van het derde Deel.

• De kwestie van de zelfmoord; Bennett weidt er uitvoerig over uit - ik ga er hier aan voorbij.

• In hoeverre is er sprake van een verdediging van egoïsme: staat het in suo esse perseverare conatur dat het eigenbelang van zelfbehoud van elk ding kenmerkt , gelijk aan egoïsme? Bennett gaat er uitgebreid op in; ik ga er hier aan voorbij en verwijs naar de recente behandeling van de kwestie door Karel D’huyvetters (in kritiek op Michael Della Rocca) op de website “Spinoza in Vlaanderen.”

Doelgerichtheid (teleologie). Het gebruik van de term ‘streven’ (conare) of ‘trachten’ verwijst in ons taalgebruik naar het willen bereiken van een doel, het verwerven van iets, van ‘een goed’. D.w.z. die term draagt een teleologische lading of connotatie. Bennett laat fraai zien dat Spinoza dat niet bedoelt; dat hij van die associatie af wil en dat o.a. doet door het gebruik van de term essentie. Dat streven, die conatus, is precies wat het ding van nature, in essentie is. Dit streven wordt ‘wil’ genoemd als het alleen met de geest in verband wordt gebracht, ‘behoefte’ als het iets is van lichaam én geest, en ‘begeerte’ wanneer we ons van die behoefte bewust zijn.

Dat Spinoza af wil van elke doelgerichtheid heeft hij sterk duidelijk gemaakt in de Appendix van het eerste Deel en nog eens in het Voorwoord van het vierde Deel, waar hij het feit dat we ons van een huis de gemakken voorstellen, niet als de oorzaak van het bouwen ervan wenst te zien, maar wel de behoefte, van waaruit we zo’n huis willen bouwen.
Bennett meent dat Spinoza elke doelgerichtheid ook bij mensen ontkent, daar hij anders naar analogie van ‘God denkt’ (wat we weten daar we bij mensen denken waarnemen) ook zou hebben moeten erkennen dat ‘God doelen stelt’ (daar wij mensen doelen stellen).

En Bennett stelt dat we Deel 3 alleen maar goed kunnen vatten, als we zien dat Spinoza er probeert een niet-teleologische theorie van menselijke motivatie te bieden (p. 215).
Spinoza erkent geen doeloorzaken, alleen efficiënte oorzaken: we worden nooit door (ideeën over) iets aangetrokken (tot bewegen gemotiveerd); we worden altijd door oorzaken gestuwd – d.w.z. mechanisch voortbewogen.

In plaats van en ter vervanging van doelen (welke ideeën zijn over iets toekomstigs) biedt Spinoza de term behoefte of begeerte aan (of ‘besluit van de geest’ in 3/2s). Het begeren van iets is dan: zo gesteld zijn (zo door inwerkingen bepaald zijn) dat je je zus of zo beweegt, dat is: dat je die dingen doet om het begeerde te verkrijgen (zie 1e definitie aan het eind van Deel drie).

Om dit nog eens te benadrukken, eindigt Spinoza het Scholium bij 3/9 met: “Uit dit alles blijkt dus dat wij niets proberen, willen, nastreven of begeren omdat wij oordelen dat het goed is, maar dat we daarentegen oordelen dat iets goed is omdat we het proberen, willen, nastreven en begeren.”

Het is dus, wat Spinoza betreft, fout over ‘een goed’ te denken als iets dat ons verlangen wekt - ofwel dat ons verlangen naar iets zou ontstaan door ons geloof over wat een goed voor ons zou zijn. Spinoza verzet zich dus tegen het Scholastieke waarde-begrip: ratio finis et boni – de reden waarom iets een goed is én een doel om naar te streven.

Hij draait dat juist om: iets is van waarde omdat en alleen omdat we er naar streven. Zover gaat Spinoza. Voordeel van het ‘afschaffen’ van het doel-begrip is dat aldus datgene wat iemand doet, alleen maar wordt verklaard uit zijn eigen natuur, en alleen uit efficiënte oorzaken, zonder iets van de mogelijke toekomstige resultante in de verklaring mee te nemen. Dat is de aanpak van de filosoof die de mens niet als imperium in imperio wil zien, maar als onderdeel van de natuur, waarvan ook de affecten te beschrijven zijn als waren het punten, lijnen en vlakken, die je geometrisch in kaart kunt brengen, hetgeen Spinoza vervolgens dus in dat Deel gaat doen.

Er zijn wel een paar probleempjes. Dat er ook van de dingen waar we ons naar toe bewegen, óók signalen moeten worden opgevangen én geëvalueerd, zodat we ons bij kou in de richting van de warme kachel bewegen en niet naar de waterkraan, waarheen we ons bewegen als we dorst hebben, die aspecten behandelt Spinoza niet. Hij volstaat telkens met (bij de definitie van liefde b.v.: is de blijdschap) “die gepaard gaat met de idee van een uitwendige oorzaak”. Waarom we precies deze en niet die persoon liefhebben, behandelt hij niet.

Ook behandelt hij niet waarom we niet alle graan opeten, maar een deel inzaaien, en de fruitbomen water geven, om volgend jaar te kunnen oogsten, hetgeen toch sterk doet denken aan het hebben van doelen en weinig aan louter mechanicisme doen denken. Dit is toch heel moeilijk niet-teleologisch uit te leggen.

Aan de mij niet erg aansprekende teleologische theorie die Bennett, gebaseerd op een publicatie van Charles Taylor, aanbiedt ga ik voorbij. Hij probeert zo’n theorie te ontwikkelen alleen maar op basis van oorzaken, waarbij mentale representaties niet rechtstreeks iets veroorzaken, maar wel kunnen helpen gedrag uit te leggen met behulp van het mentaal presenteren van een mogelijk resultaat ervan. Maar Spinoza zou gruwen van zulke pogingen tot teleologisch verklaren, dat ziet Bennett ook.

Ik kan me er dan ook goed in inleven dat Spinoza’s vervanging met ‘behoefte’ of ‘appetijt’ van ‘waarden’, ‘goed’ of ‘doel’ voor Bennet niet geheel bevredigend is; ik voor mij kom er ook niet helemaal uit. Maar wel gaat Bennett m.i. te ver met te stellen dat Spinoza zelf het loutere behoefte-begrip via een kleine knik in de formulering opschuift in teleologische richting. Volgens Bennett schuift Spinoza zelf in het vervolg van de Ethica van een tendens tot zelfbehoud in de richting van een doel tot zelfbehoud. Van een Spinozistische benadering “als hij dat doet, helpt dat hem”, zou hij opschuiven in een meer teleologische benadering “als het hem zal helpen, doet ie het.” Alleen heeft Bennet mij niet helder die verschuiving in Spinoza kunnen laten zien.

Enfin, dit alles maakt dat ik extra benieuwd ben naar de uitkomsten van het Groningse promotieproject o.l.v. dr. Martin Lenz voor wie het mechanistisch natuurbegrip en teleologie elkaar wederzijds nog niet uitsluiten. Voor hem is het nog maar de vraag of die (schijnbare) tegenstrijdigheid of inconsistentie er werkelijk is en of er tussen beide een werkelijk onoplosbaar conflict bestaat.
Zie het
blog:
Naturalisme én teleologie in Spinoza's filosofie!

Zie ook het Conatus-lemma in en.wikipedia

Reacties

Stan,
Je gelooft het of niet, maar ik heb me gisteren precies over dezelfde problematiek gebogen, precies hetzelfde boek ter hand genomen en hetzelfde hoofdstuk 10 gelezen. Puur toeval of een bovenaardse tussenkomst in dit ondermaanse? Waarschijnlijk niet: bij mij was de aanleiding het stuk over egoïsme op de website “Spinoza in Vlaanderen”, en bij jou waarschijnlijk ook?
Ik vind het boek van Bennett ook zeer knap – hij analyseert de logica van de Ethica op een zeer diepgaande manier. Ik moet wel bekennen dat het boek dikwijls boven mijn petje gaat. Ik moet mijn uiterste best doen om hem te volgen, maar waar ik er in luk, kom ik telkens tot de vaststelling dat hij logisch gezien volledig gelijk heeft. Ik twijfel dan ook niet aan zijn stelling dat de logische afleiding van de conatus niet deugt. Maar voor mij impliceert dit niet dat daarom de conatus als metafysisch principe niet correct kan zijn – maar dan als een soort axioma waarvan de waarheid blijkt door de verklarende kracht, en de niet-strijdigheid met de ervaring en met de rest van de filosofie van Spinoza. Dit laatste impliceert dat de conatus maar houdbaar is als er geen enkele teleologische implicatie in zit. Bij Tinneke Beeckman (Door Spinoza’s lens, hoofdstuk V, ad 1.2): “[Conatus is] zelfverwezenlijking als productie van effecten. Zoals Spinoza de conatus opvat, verdwijnt het onderscheid tussen doel en middel.”

Mark,
Leuke reactie. Ik kan me goed voorstellen dat zo'n toevallige samenloop even de behoefte aan een verklaring doet opkomen (maar in 'supernatuurlijke' beïnvloeding of paranormale verschijnselen geloven we niet meer).
Mijn aanleiding was niet het stuk van Karel over egoïsme - dan had ik in 't blog daar wel meer over gezegd. Nee het ging me echt om het schijnbaar teleologische van de conatus - een kwestie die mij al lang bezig houdt, en waar Bennett mij nog niet de definitieve oplossing voor geboden heeft. Ik ben het met hem eens: er zit in de Ethica een - ondanks het beweerde tegendeel, verborgen - teleologische boodschap. En ik vraag me dan ook echt belangstellend af wat het Groningse project, waar ik naar verwees, op dit punt ooit gaat brengen.
Jonathan Bennett's boek is buitengewoon intrigerend: vaak glashelder, soms ook erg moeilijk te volgen, zelfs bij 3e of 4e lezing, maar ó zo inspirerend en uitdagend.