Met de Stoa als kompas zet Maarten van Buuren ons een fake Spinoza voor: Spinoza de Stoïcist [2]

Voor ik verder ga met mijn bespreking van dit boek van Maarten van Buuren, Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid [cf. vorig blog], wil ik voor de duidelijkheid eerst nog even benadrukken dat ik niks heb tegen de Stoa, dat betreft een zeer interessante filosofische stroming, en ook niks tegen vergelijking van Spinoza met een of meer van de stoïcijnen. Waar het mij om gaat is dat er distorsie kan plaats hebben als je, zoals Van Buuren laat zien, te veel erop uit bent om Spinoza door een Stoa-bril te lezen en zelfs een Stoïcus van hem te maken.

Deze beide aspecten komen aan bod in dit gedeelte van mijn bespreking, waarin ik hoofdstuk 2, “Zelfbeschikking”, en hoofdstuk 6, “Spinoza en het liberalisme”, samen neem. In beide behandelt hij hoe Spinoza het begrip vrijheid ziet. Daarvan geeft Van Buuren in hoge mate een boeiende en toereikende behandeling. Zowel biedt hij een prima behandeling van hoe Spinoza recht als macht ziet, hoe hij dit behandelt vanuit de oude Romeinse begrippen sui juris (hetgeen hij hier weergeeft met zelfbeschikking) versus alterius juris (onder vreemd recht staan). Dit leidt vervolgens tot interessante uiteenzettingen over de betekenis die en het onderscheid dat Spinoza ziet in ‘vrijheid van denken’ en ‘vrijheid van handelen’.

Aan het slot van het tweede hoofdstuk, in de paragraaf “De innerlijke burcht,” *) - waarin hij ook wel toegeeft dat de verschillen tussen Stoa en Spinoza groot zijn, maar toch (p. 66) - behandelt hij een stoïcijns begrip: proairesis. Een niet eenvoudig te vertalen begrip dat in ieder geval te maken heeft met de ‘geschiktheid om te kiezen’, het vermogen om rationele beslissingen te nemen, het oordeelsvermogen of ook wel: de wil. Van Buuren begint met ‘het oordeelsvermogen’ maar vindt die omschrijving ontoereikend en wil het ’t liefst vertalen met ‘denkwezen’, wat mij nu niet meteen als een echt helder begrip voorkomt, maar à la: ik ga niet op alle slakken zout leggen. Ik wordt wel wat wantrouwig, wanneer ik dan ineens lees over “Spinoza’s opvatting over de rede als denkwezen” (p. 65). En zie wat er gebeurt: hoe via het Stoïsche proairesis in hoofdstuk 6 het begrip ‘oordeelsvermogen’ bij Spinoza wordt geponeerd.

In hoofdstuk 6 dat misschien beter i.p.v. “Spinoza en het liberalisme” de titel “Spinoza over vrijheid” had kunnen meekrijgen, geeft Maarten van Buuren, dat moet ik toegeven, vanuit Spinoza’s definitie van vrijheid (1/Def7) een in principe prima beschouwing over het begrip vrijheid bij Spinoza. De elementen in die definitie behandelt hij in aparte paragrafen: [1] vrijheid is onbelemmerde ontplooiing van het ding volgens zijn natuur; [2] vrijheid valt samen met noodzaak en met determinisme; [3] onvrijheid is vervreemding, n.l. door iets anders gedwongen (ofwel: vervreemd worden van de eigen natuur; die term is wel niet van Spinoza, maar kan fungeren als een prima hertaling); [4] vrijheid is vrijheid van (bevrijding uit) vervreemding. Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht en geeft de auteur onze filosoof voortreffelijk weer.

vrijheid als oordeelsvermogen
Maar dan komt Van Buuren met een vreemd element dat hij beweert in de definitie bespeurd te hebben, maar wat daarin uiteraard helemaal niet te ontdekken valt (probeer het maar): [5] vrijheid als oordeelsvermogen. In deze vijfde paragraaf over vrijheid gaat hij volkomen de mist in. Hij beweert en meent kennelijk dat Spinoza ons een oordeelsvermogen toekent. MAAR DAT DOET SPINOZA JUIST NIET – HIJ ONTKENT HET! Hier heeft Van Buuren Spinoza in 2/48s en 2/49s niet begrepen. En dat komt, vermoed ik, juist door die Stoa-bril waarmee hij Spinoza leest: met het Stoïsche begrip proairesis in die bril gegraveerd. Spinoza ontkent daar juist dat we zo’n vermogen hebben; dat het daarbij hooguit om een abstractie (een ens rationale) gaat van ideeën die een bevestiging of ontkenning al in zich hebben (als willingen zijn). Maar die ontkenning ziet Van Buuren niet. Om nog eens goed duidelijk te maken wat hij afwijst (opdat daar geen misverstand over zou bestaan) geeft Spinoza er een omschrijving van:

… onder wil versta ik het vermogen tot bevestigen en ontkennen [en niet de begeerte – dit laat V.B. weg] ik bedoel het vermogen waarmee de geest bevestigt wat waar is en ontkent wat vals is [en niet de begeerte waarmee de geest iets verlangt of van iets een afkeer heeft – ook dit laat V.B. weg].

Het eerste – het oordeelsvermogen - bestaat volgens Spinoza dus niet, het tweede – het begerende willen – uiteraard wel. Het was Spinoza’s bedoeling met deze omschrijving goed duidelijk te laten uitkomen wat hij afwijst en wat hij niet afwijst, maar aanvaardt. Maar deze verduidelijking heeft bij Van Buuren niet geholpen. Hij neemt de omschrijving als iets waar Spinoza voor zou staan, terwijl juist het omgekeerde het geval is. Onbegrijpelijk eigenlijk, behalve als je ziet dat de Stoa hem hier behoorlijk in de weg zit. Zie hier wat Van Buuren schrijft:

 

Volgt het boven vermelde, door Van Buuren verminkt weergegeven citaat uit Spinoza. Wat hier beschreven wordt is zoals Descartes de vergissingen verklaart (uit de vrije wil) en Spinoza wijst dat af en geeft zijn andere visie op vergissingen.

 

Dit is in mijn ogen een zeer ernstige vergissing van Van Buuren. Hier op blz. 184 wordt Spinoza verdraaid in een richting die de zijne niet is. Ook uit het vervolg van de betreffende paragraaf blijkt duidelijk dat Van Buuren zichzelf met zijn intentie om Spinoza vanuit de Stoa te verklaren, ja als een nieuwe Stoïcus neer te zetten, behoorlijk voor de voeten liep. Dat vervolg bewaar ik voor een volgende keer. Voor vandaag is dit genoeg van  

 

 

Cf. volgend blog met de derde bespreking. 

________________

 

* ‘De innerlijke burcht’ blijkt bij Van Buuren niets met Teresa van Avila te maken te hebben, zoals ik in een eerder blog dacht, maar met Marcus Aurelius. Van Buuren meent dat het beeld van ‘innerlijke burcht’ “Spinoza’s ideaal van zelfbeschikking misschien het best samenvat”. Ach, van mij hoeft zulke beeldspraak niet, maar een belangrijk onderwerp is het niet.