Met de Stoa als kompas zet Maarten van Buuren ons een fake Spinoza voor: Spinoza de Stoïcist [3]

“Conatus is de oorzaak van alles wat leeft”
                                                       [Maarten van Buuren, Spinoza p. 86]

Vandaag het derde deel van mijn bespreking van dit boek van Maarten van Buuren, Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid [cf. het 1e en het 2e deel].

Het derde hoofdstuk, getiteld “De wil tot macht”, is wel te zien als de kern van Van Buurens boek. Het is fascinerend om te lezen. Schitterend om mee te maken wat de auteur allemaal uit de kast haalt om zijn visie op Spinoza te onderbouwen. Tragisch ook om de misvatting bij te wonen die hij daarbij tevens tentoonspreidt. Ik kan geen verslag geven van de hele voorstelling die Van Buuren neerzet en moet mij jammer genoeg beperken tot het tonen van de ernstige lacune.  

Toch iets uit die voorstelling zelf: de scène waarin hij zijn ontdekking beschrijft van wat hij als een beginselverklaring ziet, waarmee Spinoza zijn eigen filosofie volgens hem, afbakende van die van Descartes. Met de Logos Spermatikos van de Stoa in zijn hoofd ging Van Buuren, als een echte Dan Brown zo stel ik het me voor, op speurtocht naar waar Spinoza de term ‘zaad’ gebruikt. De plaats in Ethica 1/8s2 was onbruikbaar, maar dan ontwaart hij in het heel korte 3e hoofdstuk van de PPC een passage waarin Spinoza de dingen uit zaden geboren ziet worden (uit kiemen vertaalt Van Buuren ex seminibus nascantur). Spinoza zegt er uitdrukkelijk tot tweemaal toe bij: “ook al weten we natuurlijk dat ze niet uit kiemen geboren worden”, en spreekt hij van ‘verzinnen’ (affingemus); het gaat hem duidelijk om niet meer dan een denkexperiment. En ook al erkent Van Buuren dat het Spinoza gaat om een “zaadjes- of kiemmetafoor” [p. 74), toch leest hij er tegelijk Spinoza’s ontologisch beginsel in. En daarmee gaat hij helemaal los! De conatus is de levensimpuls en wel op twee niveaus: (a) de kosmische oerimpuls (de oerconatus of enkelvoudige substantie) brengt (b) op het niveau van de natuurverschijnselen of modaliteiten een oneindige disseminatie van impulsen op gang die op microniveau de afzonderlijke organismen tot leven brengt.” [p. 76] Eerder op die pagina had hij al geschreven: “Hij [Spinoza] beschouwt de conatus als de impuls die het organisme tot leven brengt en hij situeert dit levensbeginsel in het ding zelf.” Waarmee hij in één zin twee aanvechtbare uitspraken doet: hij situeert de conatus op het niveau van God of de omvattende natuur – zie ook de zin die ik aan het begin van het blog plaatste - (terwijl de God van Spinoza niets te streven heeft) en tevens laat hij de particuliere dingen, althans organismen uit hun conatus tot bestaan komen, hetgeen zeer tegen Spinoza ingaat. Neem de volgende veelzeggende tekst op blz. 77.

 

Dit is dus NIET de richting waarin Spinoza dit in de Ethica aanpakt. Spinoza werkt de hele “aanname van een transcendente oorzaak” voor het ontstaan der dingen de wereld uit door de dingen tot hun bestaan te laten komen door en via de andere dingen! Daarover, over deze geniale oplossing van Spinoza (de immanente totstandkoming der dingen, die in de secundaire literatuur wel wordt aangeduid als “horizontale veroorzaking”) lees je niets bij Van Buuren - nergens. Hij laat de dingen uit zichzelf ontstaan – laat de existentie direct voortkomen uit (want al ingebakken liggen in) hun essentie ofwel conatus. Onbegrijpelijk. Zo schrijft hij op blz 150 "dat het bestaan (sic) van alle organismen voortkomt uit de conatus..." Dit vatte hij eerder nog eens aldus samen:

 

“En omdat Spinoza’s beroemde monisme berust op de conatus als oerbeginsel oftewel het kosmische oerbeginsel dat als logos spermatikos de dynamische oorsprong van de wereld vormt, is de conclusie onontkoombaar dat de conatus uiteindelijk samenvalt met God.” [p. 78)

 

En dit verkoopt hij ons dus als Spinoza. Van wie hij een 17e eeuwse Stoïcist maakt.

Van Buuren doet nog meer aanvechtbare uitspraken, maar die hangen samen met deze uiterst aanvechtbare gelijkstelling van conatus met de substantie. Die ga ik niet allemaal noemen. Op de belangrijkste miskleun heb ik hiermee wel gewezen.

Nog één dan. Hij ziet de eigenschap denken als weerspiegeling van de eigenschap uitgebreidheid, “een van deze uitgebreidheid afgeleide [sic] en aan deze uitgebreidheid dienstbare eigenschap.” [p. 88]. Hij moet toch echt nog eens terugverwezen worden naar de Spinoza-school en hem zou in elk geval elk docentschap over Spinoza ontzegd moeten worden. *)

Of toch nog een, ook heel kort. Meermalen heeft hij het over het streven van organismen om hun macht te versterken (p.81) of te vergroten {p. 88]. “Het ligt in de natuur van elk ding, zegt hij [Spinoza], om te streven naar een zo groot mogelijke macht.” [p. 98]. Ik zeg niet dat dit onjuist is, maar het vergt nogal goed en intensief lezen van Spinoza om dit als zijn bedoeling te begrijpen, want hij zegt dat nergens met zoveel woorden. Maar die zorgvuldige analyse met passende verwijsplaatsen vind je niet bij Van Buuren. En hij gaat echt te ver met zijn conclusie: “De conatus is in diepste wezen een wil tot macht.” [p. 101] En die gaf hij mee in de titel van zijn hoofdstuk, wat hij m.i. niet had mogen doen. Dit is geen serieuze Spinoza-interpretatie meer.

Minder moeite heb ik met hoe hij dit op een andere plaats formuleert: “Elk organisme streeft ernaar zijn macht maximaal te ontplooien voor de optimale verwezenlijking van zijn natuur.” [p. 150]

________________

*) Maar ja, wie gaat daarover? De VHS? De ISVW? De laatste kennelijk niet, want die beschouwt hem uitdrukkelijk als Spinoza-expert en heeft hem reeds onderdak verschaft - om uit te dragen zijn

 

Cf. volgend blog met de vierde bespreking.