Antoon Vloemans (1898 – 1982) schreef indrukwekkend boek over Spinoza [VII afterparty]

Toen ik van deze serie over Vloemans in “VI slot”, schreef: “Dit wordt het – waarschijnlijk - laatste blog over Antoon Vloemans, de Vlaamse, in Nederland werkzame filosoof en filosofie-historicus die veel boeken schreef en ook drie over Spinoza,” toen wist ik nog niet dat ik toch nog een blog aan hem zou wijden. Ik probeerde na te gaan of de Maastrichtse bibliotheek, die zoveel heeft, wellicht ook Vloemans’ tijdschrift Erasmus in z’n magazijn had, zodat ik zijn in 1932 gehouden toespraak daarin alsnog kon lezen. Dat bleek niet het geval, maar wel stond zijn laatste boekje in dat magazijn. Dat liet ik uiteraard komen:

Antoon Vloemans, Inleiding tot Spinoza [Van Stockum en zoon, Den Haag, 4e herziene druk, 1953].  Het werd gisteren al aanleiding voor het

blog over de Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum. Ik zie er genoeg aanleiding in om de serie helemaal af te ronden door ook over dit boekje nog iets te zeggen.

Ik had een beetje gelijk toen ik in dat ‘laatste’ blog vermoedde “dat Vloemans daarin nauwelijks nog iets nieuws zou brengen.” Het is inderdaad een licht bewerkte versie van zijn De wijsbegeerte van Spinoza. Haar plaats in het Nederlandsche denken en haar beteekenis voor de wereldphilosophie (1932) dat bij de Wereldbibliotheek drie drukken had.

Voor deze uitgave bij Van Stockum en zoon werd het eerdere boekje "ingrijpend gewijzigd en grondig herzien." Ook gaf hij het een nieuwe ("nauwkeuriger") titel.  Hij verwijderde het eerste hoofdstuk (dat ik juist zo interessant had gevonden); de rest bleef overwegend wat het was, en het laatste hoofdstuk, “Geschiedenis van Spinoza’s roem”, “kon aanzienlijk worden uitgebreid,” zo schrijft hij in het ‘Voorbericht’. Nou valt dat aanzienlijk wel mee, maar juist het gedeelte over Duitsland gaf hij meer gewicht en een positievere wending: “Buiten Nederland was de weerklank van Spinoza’s leer veel geringer. Behalve in Duitsland. Daar was hij haast even groot in de aanvang en later werd dit land zelfs de bakermat van Spinoza’s schoonste roem.” (p. 148). Hij behandelde Matthias Knutzen,  Friedrich Wilhelm Stosch, Buddeus en Thomasius en Schmauss. En in die uitbreiding kon ik dus lezen over die Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum.

Verder valt er over dit boekje weinig te zeggen. Wel vielen mij nog twee dingen op: 1) dat filosofie in 1953 nog als philosophie geschreven werd (dat werd kennelijk pas bij de invoering van Het Groene Boekje in 1955 gewijzigd?), en 2) dat ik de eerste was die dit boekje uit het Maastrichtse boekenmagazijn had laten komen – dat was duidelijk merkbaar eraan dat de bladzijden waarin lijm die het ingenaaide boekje was binnen gedropen nog nooit waren opengemaakt. Na ruim zestig jaar had eindelijk iemand eens dit boekje over Spinoza opgevraagd. Toch wel een beetje triestig, deze afterparty.