Christian Thomasius (1655 - 1728) zag Spinoza als 'atheus ingeniosissimus'

Christian ThomasiusDeze Thomasius, Duits jurist, filosoof, hoogleraar, aanhanger en verkondiger van de Verlichting, noemde Spinoza zo in: Philosophia aulica (1688): "atheus ingeniosissimus" (zeer scherpzinnige atheïst).*)

Hij was de zoon van de Duitse filosoof en jurist Jakob Thomasius (1622 – 1684) die in 1661-63 als hoogleraar retorica en moraalfilosofie aan de universiteit van Leipzig leermeester van Leibniz geweest was en die de eerste en opvallend vroege weerlegger van de Tractatus Theologico-politicus was met Adversus anonymum, de libertate philosophandi (Leipzig, mei 1670). Hem was toen nog niet bekend dat dat werk van Spinoza was.
Over naar de zoon die op zijn manier (als ik Jonathan Israel lees) gebeten op Spinoza leek te zijn maar flinke belangstelling én grote waardering voor hem kon opbrengen én - zo lijkt het - veel van hem geleerd heeft. Vandaar: 'atheus ingeniosissimus'.

Hij was het die in 1704 zijn leerling Gottlieb Stolle samen met Hallmann naar Amsterdam zond om er meer over Spinoza te weten te komen [zie dit blog].

Onder de indruk van tijdschriften in het buitenland, waaronder vooral dat van Bayle, lanceerde Christian Thomasius in 1688 in Duitsland een nieuw tijdschrift dat succes zou hebben en gezagvol werd: de Monatgespräche. Dit mede om mensen die het Latijn niet machtig waren door o.a. boekbesprekingen op de hoogte te brengen van ontwikkelingen in de geleerdenwereld. In het maartnummer hekelde hij in felle bewoordingen het opgroeiende ‘Spinozismus’ in Duitsland. Jonathan Israel wijst er op dat hij als eerste die term in de Duitse taal introduceerde. Zijn eerste doelwit was het pas anoniem uitgekomen Medicina Mentis, dat hij – terecht - toeschreef aan Tschirnhaus en Spinozistisch noemde; iets wat Tschirnhaus bepaald niet goed uitkwam.

Thomasius heeft als (gematigde) verlichter goed werk in Duitsland gedaan door zijn pleidooi voor een humaan strafrecht, waarmee hij leiding gaf aan de campagne tegen het geloof in hekserij en heksenprocessen die uiteindelijk leidde tot het Pruisische Koninklijke Besluit dat opdroeg alle gevallen van heksenverdenking aan het koninklijke hof voor te leggen, hetgeen in feite een einde maakte aan die processen in Noord Duitsland. Thomasius stond dan ook tamelijk positief tegenover het boek van Bekker, Betoverde Weereld, dat in Duitsland voor veel ophef zorgde. Maar van het erin tentoongespreide naturalisme distantieerde hij zich.

Als geen ander stond Thomasius bekend als pleitbezorger van tolerantie in het Duitsland van de vroege Verlichting en hij was bepaald niet bang om de toorn van geestelijken te wekken in zijn verzet tegen onverdraagzaamheid en bijgeloof en in het naar voren brengen van de waarden van de Verlichting. Maar hij had wel een gruwelijke hekel aan de radicale ideeën en vooral aan het Spinozisme. Hij stond een voorzichtige tolerantie voor. Hij werd dan wel gezien als de beroemdste en invloedrijkste pleitbezorger van de vrijheid van denken in Duitsland, maar hij vond dat een christelijke maatschappij het uiten van ‘atheïsme’ niet mag toestaan en dat de overheid het uiten van ‘atheïsme’ en Spinozistische ideeën moest verbieden en onderdrukken.

Tot zover enige grepen uit het beeld van Christian Thomasius dat Jonathan Israel in Radicale Verlichting oproept: wel bestrijder van bijgeloof, wel tot grote hoogte tolerant, wel voorstander van rationaliteit en van vrij denken. Maar dat alles tot een grens: geen Spinozisme.

VoorkantToch krijg ik uit Ian Hunter’s The Secularisation of the Confessional State: The Political Thought of Christian Thomasius [Cambridge University Press, 2007] een indruk dat Christian Thomasius een verdergaande en minder voorzichtige tolerantie kon opbrengen - ook tegenover een ‘ketter’ als Spinoza, dan Israel suggereert. Dat Spinoza ‘ketter’ werd kwam op het conto van de scholastiek aangelegde orthodoxen. Om dat te illustreren neem ik een passage over van blz. 71-73 uit dit boek [tussenkopje en geelmarkeringen van SV], waarbij ik begin met een parafrase van het voorafgaande, waarin m.i. veel beïnvloeding door Spinoza’s zienswijzen te proeven is:

Thomasius scheidde de God van de openbaring en van het heil van de natuurlijke en burgerlijke wereld. Wereldlijke en natuurlijke zaken waren voor hem geen manifestaties van transcendente concepten (als de scholastieke 'occulte kwaliteiten'). Hij opende de weg voor 'detranscendentalisring' van elke kennis. Het ging hem er daarbij vooral om de civiele wereld daarvan te vrijwaren. Eenmaal de God van het heil louter een plaats toegekend als een object van geloof en openbaring, is hij onttrokken aan het civiele, politieke domein en kan niet meer gebruikt worden als intellectuele bron van transcendente normen, zoals in de christelijke 'natuurlijke wet' om er dat domein mee te ordenen. Die normen dienden derhalve afgeleid te worden uit de geschiedenis en uit waarnemingen van wat feitelijk bijdroeg aan veiligheid van een strevend wezen dat niet in staat is zichzelf met behulp van de rede te besturen; het is dan de rol van de jurisprudentie om de wettelijke normen uit te werken. Hiermee historiceerde en relativeerde hij zowel elke orthodoxie als elke ketterij. In het ‘gedetranscendenteerde’ domein kan de strijd om het vormgeven van het maatschappelijke leven alleen maar onderwerp van politiek zijn, waarvan de uitkomsten geen bijdragen leveren aan heil in de zin van ‘verlossing’. Hiermee was hij in staat 'theorethisch atheïsme' (vooral Spinozisme) van ketterij te onderscheiden. Theoretisch atheïsme was voor hem het accepteren van speculatieve doctrines over of God wel of niet bestaat ofwel onscheidbaar van de wereld is. Volgens hem kwam het juist door het pogen om de God van de openbaring en het heil tot een object van filosofische kennis te maken, dat de natuurlijke theologie zelf aanleiding ertoe gaf/geeft dat atheïsme ontstaat, daar hierdoor juist de onmiddellijke identificatie van God met 'Zijn' wordt beweerd. Dit zag hij als de bron van zowel Spinoza's materialistische atheïsme als van immateriële emanationistische en pantheïstische vormen van christelijke metafysica's.

The Spinoza case
In a remarkable overturning of the orthodox Lutheran position, Thomasius then proceeds to argue that scholastic theologians should not attempt to persecute or hereticate theoretical atheists, Spinozists in particular. This is in part because the scholastics too are natural theologians who purport to constitute God as an object of speculative knowledge and thereby locate him immediately in the world, albeit in emanationist and intellectualist doctrines rather than via metaphysical materialism. Above all, though, once the history of metaphysics has permitted us to separate God as an object of faith from civil society as an object of empirical knowledge, thereby destroying political metaphysics, it becomes possible to separate the question of salvation and damnation from the ordering of civil society. This allows Thomasius to tentatively raise the prospect of tolerating atheists: 'I will not here discuss whether atheists should be tolerated in the state, as this question demands a more exact consideration ... Yet I cannot say that the Dutch acted imprudently when they tolerated Spinoza.' The Spinoza case then permits him to display his new ordering of the field:

“Although in the sight of God an atheist is subject to eternal punishment, yet in the sight of man, if he does nothing more than speculate and otherwise leads a good life, like Spinoza, then one should feel appropriate compassion for him; for through the teaching of false wisdom it has come about that he was first led to seek God from good intentions, and then to indulge his understanding all too far, thinking ever higher through it, until finally through his confused researching and seeking he quite lost God.” [Thomasius, Cautelen (1713), p.295]

The scholastics are therefore shamefully wrong in justifying the civil punishment of theoretical atheists on the basis of natural laws derived from divine reason, as the proper relation of religion to civil society is not based on unifying metaphysical reason. It is based, rather, on the gap that the abandonment of metaphysics opens between God as the object of saving faith and social peace as the object of civil and juridical power, which means that atheists may not be subject to civil sanctions. In opening this gap, it becomes possible for Thomasius to argue that atheists can fulfil all their civil duties — hence be good citizens — without believing in God, much as Pierre Bayle had argued in his Various Thoughts on the Occasion of a comet, in 1682.

On this account, however, if philosophical reason should not be used to unify religion and civil order, then neither can it be used to separate them. The sting in the tail of Thomasius's position is thus that it simultaneously undermines Spinoza's own attempt to justify religious freedom as intellectual freedom, via his doctrine of man as an ontologically free being whose rational desires the state exists to maximise and protect. This doctrine too fails to sequester the civil order from metaphysics, which can only be achieved if civil authority is restricted to 'external' social peace, renouncing all higher purposes, including ontological freedom. Thomasius's destruction of natural theology would thus also entail the suspension of rationalist defences of intellectual and religious freedom and rights, thereby initiating a quite distinct path into the secularised state […].

Kortom, Christian Thomasius kon méér meegaan met en had méér overgenomen van het denken van Spinoza, dan wellicht soms leek. Geen wonder dat hij Spinoza kon noemen: "atheus ingeniosissimus" (zeer scherpzinnige atheïst).*)

____________

Bronnen

*) Aangetroffen in: Cis van Heertum & Frank Grunert (Hrsg.) Spinoza im Kontext, 2010, p. 14

Jonathan Israel, Radicale verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden, Van Wijnen, Franeker, 2005 (oorspr. 2001).

VoorkantHerbert Jaumann (Hrsg), Diskurse der Gelehrtenkultur in der Frühen Neuzeit: Ein Handbuch. Walter de Gruyter, 2010

K. Gründer & W. Schmidt-Biggemann (Eds.) Spinoza in der Frühzeit seiner religiösen Wirkung. Heidelberg, 1984.

de.wikipedia

Reacties

In LEIPZIGER MONATSHEFTE (Maart 1688) schreef Christiaan Thomasius over overbodigheid van theologie volgens Tschirnhaus omdat "Die Physic alleine eine goetliche Wissenschaft waere". Hij toonde met citaten uit zijn MEDICINA MENTIS (20 p.) aan dat Spinoza daarvan de 'Brunquell' was en trok de conclusie dat Tschirnhaus op zijn reizen door Spinoza " gar zusehr muesse charmiret und eingenommen sein". Dit ter aanvulling. Zie verder de sectie "Door Spinoza overtuigd van Descartes' gebreken" in mijn hoofdstuk DE GENEESKRACHT VAN DE NATUURKUNDE VOLGENS TSCHIRNHAUS , p. 165-186 in mijn MANNEN ROND SPINOZA.