Gelijkheidsthese of gelijk-opgaan-these?

De dag nadat Chantal Jaquet haar lezing tijdens de algemene ledenvergadering van de VHS had gehouden, schreef ik een uitvoerig blog waarin ik op haar thema inging: “Kan de gelijkheids-these de parallellisme-these verdringen?”

De eerste week van mei ontvingen de leden vijf brochures, waaronder deze van haar lezing:

Chantal Jaquet, From Parallelism to Equality: The Nature of the Union of Mind and Body in Spinoza. Mededelingen vanwege het Spinozahuis nr. 104, met de lezing van 26 mei 2012. Uitgeverij Spinozahuis, 2013.

Sindsdien ben ik enige tijd met haar tekst bezig geweest en heb mij afgevraagd, of en in hoeverre we met haar voorstel beter uit zijn. Ik ben er nog niet helemaal maar grotendeels wel uit. Ze formuleert een prima kritiek op de ingeburgerde gewoonte om naar 2/7 te verwijzen met “de parallellisme-these” (“this confusing minefield of a concept”).

Met haar voorstel om in plaats daarvan over “de gelijkheids-these” te spreken, legt ze – met  Spinoza - de nadruk niet zozeer op de gelijkvormigheid van “de orde en connectie” van de dingen en bijbehorende ideeën (idem est), maar op hetgeen in het corolarium bij deze stelling staat en als conclusie wordt getrokken: dat Gods vermogen om te denken (cogitandi potentia) gelijk is (aequalis est) aan zijn feitelijke vermogen tot handelen (ipsius actuali agendi potentiae). En dat wil zeggen: al wat werkelijk (formeel, formaliter) uit de oneindige goddelijke natuur volgt, dat volgt uit de goddelijke idee objectief in God naar dezelfde orde en in hetzelfde verband.

Wat gelijk is, is dus met name: de denkkracht is gelijk aan de handelingskracht. Daarop ligt in haar voorstel het accent en niet zozeer in het zoeken naar hoe a.h.w. de punten op de ene lijn (die van de veranderende dingen) corresponderen met die op de andere lijn (die van de elkaar opeenvolgende ideeën). Dat laatste zou ons via een door Leibniz aangereikt foutief model - in de mist kunnen brengen, daar immers eigenschappen van dingen totaal andere zijn dat eigenschappen van ideeën. Het gelijkheidsbeginsel laat ons veeleer op zoek gaan naar de dynamiek van het gelijk opgaan (of afgaan) van het vermogen van het lichamelijk handelen met dat van het denkvermogen en vise versa. Wat Spinoza in de volgende delen 3 en 4 van de Ethica ook uit en te na doet.

We moeten dan uiteraard wel voorkomen dat ook maar enigszins gesuggereerd kan worden dat lichaam en denken gelijk zijn – dat zijn en blijven attributief compleet verschillende en niet tot elkaar te herleiden (modi van) attributen. Alleen hun ‘krachten’ zijn gelijk.

Het is uiteraard nog niet zo simpel hoe je het zo verschillende lichaamsvermogen om te bestaan en het bijbehorende denkvermogen met elkaar vergelijkt en op de weegschaal legt. Dus zóveel dichter bij huis zijn we nog zeker niet. Wat we wel weten is dat die krachten met elkaar op en neer gaan, fluctueren, en niet meer als een soort speren eeuwig in parallelle lijnen voortsnellen…

Eigenlijk zie je wat Spinoza in 2/7 bedoelt het beste toegepast én uitgelegd worden in 3/28dem; Jaquet gebruikt die ook in haar betoog. Daar gebruikt Spinoza de termen aequalis et simul natura est (waarmee Mentis conatus seu potentia in cogitando enerzijds vergeleken wordt cum corporis conatu, seu potentia in agendo). Eigenlijk moeten we dus aequalis et simul natura est (van de conatus seu potentia in beide gevallen) proberen in één term samen te vatten, hetgeen toch niet meevalt. Voor “het gelijk(waardig) zijn qua kracht én het met elkaar gelijk opgaan ineen”, daar hebben we geen eenduidig woord voor. Je moet kiezen: of voor gelijkheid (equality) of voor gelijk opgaan (run in parallel). Bij die laatste term zit je weer dicht bij de te verwerpen parallellisme-these. Dan toch maar: gelijkheids-these.

Als een voordeel zie ik ook, dat we met dit voorstel helemaal in de reële actualiteit blijven en de poging om de weg die de ideeën afleggen helemaal te willen vertalen in proposities en de logica ervan, achter ons kunnen laten, daar bij Spinoza het accent ligt op wat er in de werkelijkheid gebeurd (hem interesseert minder de dictu, hij is meer een man van de re). Tot die vertaalslag nodigt mogelijk de parallellisme-these meer uit dan de gelijkheidsthese die eerder naar de reële actualiteit blijft wijzen, vermoed ik.

Stan Verdult

Reacties

Prima uitleg, Stan. Daar had ik nou zo'n mooie term voor bedacht: inter-attributieve identiteit (zie mijn uitleg ETHICOM, p. 114). Na lezing van Jaquet's paper schreef ik er onder: 'overbodig, niets nieuws'. Men had zich de drukkosten kunnen besparen.

Wim, dank voor het compliment.
Maar ik ben het niet met je eens: ik vind jouw "inter-attributieve identiteit" het tegendeel van een "mooie term", namelijk zowel lelijk en onduidelijk als misleidend.
Tegen de zgn. "identiteits-these" heb ik op dit blog al zeer vaak geopponeerd. Ook jouw toelichting in "Ethicom" loopt op blz 115 uit op precies mijn bezwaar tegen die identiteits-stelling dat (naar Parmenides, waar jij naar verwijst) denken en zijn hetzelfde zijn. Weg attributieve verschillen!
Nee, dan liever Jaquet's voorstel dat bepaald niet overbodig is. Hoezo "niet nieuw"? Ik vind het stukken beter dan jouw uiterst onheldere typering "inter-attributieve identiteit".

We gaanonze zetten natuurlijk niet eindeloos tegen elkaar herhalen om elkaar tenslotte schaakmat te zetten. Op voorhand moet gezegd woorden vlg Spinoza en Meijer slechts INCITAMENTA zijn om in andermans hoofd de gedachte te wekken waarvan men zelf zeker is. Een schreeuw of pak slaag kan daar ook wel eens toe dienen vlg Lin Chi. Woorden zijn in iedwr geval
geen weergave of uitdrukking van gedachten, wel pogingen om iemand aan de eigen denkkant te krijgen.
In mijn geval is dat bij jou, Stan, niet gelukt. Zo ook omgekeerd. Net als jij heb ook ik vaak het gevoel dat we elkaar met onze woorden niet raken.

Wim, dit is ook een manier van passen. Mogelijk dat mijn verwijzing gisteren naar "de boer die zei dat het erf van de buurman op de kip vloog" jou vandaag op deze associatie bracht van Spinoza´s woordtheorie.

Nee, de Amsterdamse taaltheorie, zoals ik die aanduid, houd mij al decennia bezig: FvdE, Balling, Koerbagh, Meijer, Spinoza. Kun je in enkele boeken van mij gemakkelijk terugvinden.