Hendrik Willem van der Vaart Smit (1888 - 1986) - "Spinoza wint het"

Gisteren kreeg ik onverwacht weer eens te maken met cognitieve dissonantie. Eerst maar eens het positieve deel van het verhaal. Ik leende uit de bibliotheek het boekje Spinoza dat tachtig jaar geleden werd uitgegeven door de Afdeling-Nederland der Kant-Gesellschaft van lezingen die bij de Spinoza-herdenking op donderdag 29 december 1932 in de Agnieten-kapel in Amsterdam gehouden waren. Ik heb daaruit al eens de bijdrage van Leo Polak besproken [cf blog en blog]. Het boekje staat, door David Bakker gescand, als PDF op vrijdenkers.nl.

   

Ik las in de bibliotheek deze keer de laatste lezing van de mij onbekende H.W. van der Vaart Smit, getiteld “Spinoza en de Geref. Theologie.” En ik moet zeggen: ik genoot ervan. Zo’n fraai stuk, zo mooi en helder geschreven. Een verademing in vergelijking met de geforceerde en soms gezwollen taal van J.H. Carp en ook helderder dan dat stuk van L. Polak. Ik citeer een passage uit het begin, waarin de auteur de houding van vroegere theologen t.a.v. Spinoza aan de kaak stelt:

“Die taak is eenigszins pijnlijk — beoordeeling immers moet ten deele veroordeeling zijn — maar is ook een eereschuld aan de eeuw, waarin wij leven — immers, wij moeten thans in staat zijn om de botsing van dien tijd te begrijpen en onder hooger aspect opnieuw te belichten. En schrijver dezes — zelf Gereformeerd theoloog — stelt er prijs op, juist deze taak hier naar vermogen te vervullen.

Wie van de discussie tusschen Spinoza en de Gereformeerde theologen van zijn tijd, urbain gesproken, het beste deel had, is spoedig uitgemaakt. Spinoza wint het. Zijn discussie, meest apologetisch, zelden aanvallend van aard, is edel van karakter, ontspruit uit serene rust, wordt gedragen door een innerlijke, beheerschte, nobele overtuiging, staat boven het gemiddeld peil van het debat, dat tegen hem gaande gehouden werd; zijn discussie is en blijft een sieraad voor de wijsbegeerte. Van zijn Gereformeerde bestrijders kan echter in menig opzicht niet gezegd worden, dat hun bestrijding een sieraad voor de Gereformeerde theologie is. Maakte al niet ieder het even erg als de Middelburgsche Gereformeerde predikant ds. C. Tuinman, die in zijn liederenbundel “Rijmlust" als grafschrift voor Spinoza de algemeene gevoelens in deze befaamde woorden vertolkt:

      „Spouw op dit graf. Hier ligt Spinoza. Was zijn leer
      Daar ook bedolven! Wrocht die stank geen zielpest meer “—

het zou niet moeilijk vallen een bloemlezing van distels, éénsoortig met dezen wel zeer groven distel, uit den Gereformeerden kerkelijken tuin van dien tijd samen te lezen. Men schreef tegen Spinoza van Gereformeerde zijde te vaak op groven toon, toonde menigmaal een ontstellend tekort aan zelfbeheersching, maakte de betoogen tegen Spinoza en zijn leer vaak onleesbaar door overvloed van afkeerbetuigingen en bewees op deze wijze in het algemeen gesproken geen dienst aan de geschiedenis der beschaving, geen dienst ook — a fortiori — aan de geschiedenis der theologie.

Dit stoot des te meer af, daar men zich bij het lezen dier polemiek tegen Spinoza vaak niet aan den indruk onttrekken kan, dat velen zich de moeite niet getroost hebben, Spinoza's werken te lezen en vrijmoedigheid tot polemiek aan „hooren-zeggen" ontleenden.

Een groot gebrek der kerk, niet slechts van dien tijd, maar van meer dan één tijd, wordt daarin openbaar, nl. haar gebrek aan liefde. Het is tragisch, maar onmiskenbaar, dat de kerk, de gemeenschap, die in deze veelszins harde wereld de draagster bij uitstek bedoelt en behoort te zijn van de liefde tot God boven al en van de liefde tot den naaste als tot zichzelf, de predikster der heilige moraal van den gulden regel der wederkeerigheid, dat wat gij niet wilt, dat U geschiedt, gij dat ook een ander niet zult aandoen, in niets zoo zeer te kort schiet als in deze liefde zelve."

Na een betoog over de opdracht tot wederzijdse liefde en dat “ieder met wien men in het leven te maken heeft,” vriend en vijand, medestander en tegenstander, onder die naastenliefde valt – dus ook Spinoza – volgt:

“Symptoom van het gebrek aan naastenliefde was indertijd in de theologische bestrijding van Spinoza het chargeeren van Spinoza's pantheïsme tot atheïsme. Zeker, er zijn redeneeringen mogelijk, welke op de conclusie uitloopen, dat pantheïsme eigenlijk en in den grond der zaak atheïsme is. Spinoza's Gereformeerde bestrijders (en met hen ook Roomsch-Katholieke en Joodsche bestrijders van dien tijd) leveren daarvan exempelen. Maar deze redeneeringen zijn, dooreengenomen, sterker in de tendens om tegen Spinoza en zijn wijsbegeerte te waarschuwen dan in de kracht der argumenten. Spinoza's pantheïsme was geen atheïsme. Spinoza was — en nu citeeren we met voordacht een Gereformeerd theoloog van onzen tijd —, nl. dr. J. H. Bavinck, „een van de meest religieuse denkers, die Europa ooit heeft voortgebracht".”

Hierna betoogt hij dat Spinoza eerder ‘akosmisch’ dan ‘atheïstisch’ te noemen is en geeft hij een korte schets van de herontdekking van Spinoza door de romantici en idealisten (Goethe, Hegel, Schleiermacher). Hij is goed op de hoogte. Dan tracht hij verklaringen te vinden voor de vraag:

“Waarom moest de stille figuur, die door zijn persoon geen aanstoot gaf, ook niet als propagandist optrad, die in het Latijn schreef, de voorzichtigheid beminde, de opspraak vreesde en die om al deze redenen aan kerkeraden en vroedschappen onbekend had kunnen zijn, zoo heftig en voor een groot deel ook zoo onrechtvaardig worden bekampt? Heeft het zeldzame feit zijner openbare vervloeking door de synagoge al te zeer de aandacht op hem gevestigd?”

Hij komt daartoe met Bierens de Haan’s  verklaring dat Spinozisme een religieuze beweging was en dus als opkomende concurrerende beweging werd bestreden. Hij ziet in de heftigheid van die bestrijding een aanwijzing dat het Spinozisme als een “andersoortige religieuse beweging” werd ervaren. Daarbij is te wijzen op het feit dat men de kritiek op de Bijbel als pijnlijk ervoer wat een gevoelsreactie teweegbracht. De gereformeerde christenheid had enige tijd nodig om zich in deze toestand te kunnen schikken.
Volgt een wat merkwaardige passage waarin hij Bierens de Haan volgt dat Spinzoa wel de toepassing van een bepaald persoonlijkheidsbegrip op God afwijst, maar hem nergens onpersoonlijk noemt. Daarbij zou het dan om iets ‘bovenpersoonlijks’ gaan: “een onbepaald persoonlijkheidsbegrip, dat bovenpersoonlijk, en toch niet onpersoonlijk moet zijn. Zoo blijft ook voor Spinoza het mysterie van absoluutheid en persoonlijkheid bestaan.” Zijn pantheïsme zou door het mystieke van amor Dei intellectualis worden getemperd. [Enfin, het gaat hier om vaagtaal waar theologen kennelijk van smullen].

Ging hij hierin mee met Bierens de Haan, hij bestrijdt ten eerste de tegenstelling die deze schetste tussen het Spinozisme en het gereformeerde theïsme, dat een Godheid als “een souvereine, van de wereld gescheiden wilskracht” zou zijn. Die typering wijst Van der Vaart Smit af, want het kenmerk van het theïsme zou juist zijn dat het zowel transcendentie als immanentie handhaaft – wel de onderscheidenheid maar niet de gescheidenheid van God en wereld leert (want mens en wereld worden gedacht als rustend in God). Ten tweede bestrijdt hij dat de confessie of de dogmatiek een ‘geopenbaard leersysteem’ zou zijn, zoals hij bij Bierens de Haan had gelezen. Nee, leer en belijdenis zijn altijd geweten als vanuit kerkelijk gezag en akkoord tussen mensen, niet uit openbaring ontstaan. Daar zou dus vanuit Spinozisme een verkeerd beeld van de gereformeerde tegenstander worden verspreid. En dan komt hij met een zin die zó door Spinoza geschreven had kunnen zijn (op ‘rechtschapen’ na dan, want alles is immers recht geschapen):

“Het is God die in elke rechtschapen overtuiging spreekt en ze alle te samen wijsgeerig en wetenschappelijk tot een systeem verwerkt.”
Waarop echter een onspinozistische zin volgt:
Het detoneeren uit deze symphonie van den strijdenden mensch is het gebrek in zijn strijd, onvermijdelijk omdat hij mensch is en met menschen van doen heeft, maar…. gebrek.”(p. 76).

Tot slot dan het laatste stuk van zijn betoog:

Spinoza ging van God uit en laat de vraag onopgelost, hoe nu van den Oneindige tot het eindige te komen. God is bij hem alles; maar voor den mensch en de wereld blijft er nu geen zelfstandigheid meer over. Ze zijn verslonden in het oneindige. Hij is akosmisch. [..].

Het theïsme heeft een gecompliceerder taak. Het tracht èn de zelfstandigheid Gods èn de zelfstandigheid van mensch en wereld en den onverbrekelijken samenhang van dit tweeërlei te handhaven, is zoowel monistisch als dualistisch, handhaaft zoowel de transcendentie als de immanentie en heeft tot wachtwoord de „ongescheiden onderscheidenheid" van God en mensch, oneindigheid en eindigheid, eeuwigheid en tijd. Dat maakt op den niet-theïst den indruk van inconsequentie, maar beantwoordt dit ook uit overtuiging met de thesis, dat „jede Konsequenz zum Teufel führt”.

Dat hiermee een andere geesteshouding gegeven is dan in het spinozisme, is zonder meer duidelijk. Spinoza zoekt niet verlossing, maar harmonie. Het theïsme zoekt harmonie door verlossing. Het monisme van Spinoza ontmoet hier een monisme, dat tevens en tegelijkertijd dualistisch is en nu eens het eerste, dan weer het andere met sterkeren nadruk naar voren brengt, ongeneigd om één van beide prijs te geven. En hierin is een hoog ideaal gerepresenteerd.

De taak van de Gereformeerde theologie tegenover en naast het spinozisme is — niet om het bestaan Gods te verdedigen — Spinoza is niet atheïstisch, maar veeleer akosmisch — maar om de reëele zelfstandigheid van het geschapene te verdedigen, bijv. op de wijze van Plato, Augustinu s, van de monadologie van Leibniz, van Hermann Lotze, van de jongere Fichte e.a. En de wijsbegeerte komt als zoodanig daarin het theïsme menigmaal te hulp. Triomfeerde het spinozisme in Goethe en Hegel, het kantianisme vervormde daarna Spinoza's strakkere Substantie tot Subject; en sinds Spinoza hield het idealisme niet op te worstelen om den overgang te vinden van het oneindige tot het eindige. Het theïsme hield daarbij niet op, om in te brengen, dat ook al erkent het Spinoza's hooge religieusiteit, nochtans zijns inziens werkelijke religie alleen bestaanbaar is, indien de mensch meer is dan slechts modus der ééne substantie.

Aan den anderen kant heeft het theïsme oorzaak om Spinoza en het spinozisme en het idealisme in het algemeen dankbaar te zijn voor de immanentie-gedachte, die op deze wijze zóó sterk naar voren komt. Ware er geen diversiteit van richting, geen enkele richting zou zich inspannen, geen enkele richting zou zich ontplooien en in den waarheidsdienst vorderen. Niet alleen hebben het Jodendom en de Gereformeerde theologie Spinoza aan het denken gebracht, ook omgekeerd bewijst het spinozisme aan het theïsme den grooten dienst, èn van den drang tot arbeid èn van den drang tot dieper indenken van de immanentie-gedachte. Het is mede middellijk aan het pantheïsme te danken, dat het deïsme geen serieusen aanhang meer vindt en het theïsme voor deïsme bewaard bleef.”

                                                   * * *

Toen ik, verheugd over zo’n fraaie en afgewogen evenwichtige tekst, thuis kwam en op internet naging of ik méér over deze theoloog te weten kon komen, ontdekte ik tot mijn schrik dat deze spreker op die Spinoza-herdenking net als Carp NSB-er werd en de kant van de Duitsers koos. Ziedaar het ontstaan van cognitieve dissonantie... Daarover in een volgend blog, daar dit blog door al die lange citaten al te lang werd.