Spreken van "Mentis duratio" was inadequaat - een fout van Spinoza

Het lijkt moeilijk te begrijpen dat toch tamelijk veel uitleggers van Spinoza inzake het tweede deel van het Vijfde deel van de Ethica de term 'onsterfelijkheid van de ziel' in de mond namen, terwijl de term onsterfelijkheid daar helemaal niet voorkomt. Dat tweede deel vangt aan bij 5/21.

Spinoza heeft het over de 'eeuwigheid' van 'een deel van' de geest. Dat 'deel van' is al een enigszins oneigenlijke manier van spreken, maar daar betreft het dus die aspecten van de geest die te maken hebben met het lichamelijke dus tijdelijke bestaan: het bestaan in de tijd met een lichaam-geest-eenheid (met verbeelding, geheugen etc.). Het gaat Spinoza er daar om aan te geven dat de geest een eeuwig aspect heeft, namelijk het wezen zoals het begrepen moet worden vanuit en in het wezen van God - en die is eeuwig. En van daaraf begint hij te spreken over dingen beschouwen onder het aspect van de eeuwigheid, sub specie aeternitatis - de eeuwigheid der dingen inzien.

En daar, vanaf 5/22 zal hij beklemtonen dat eeuwig geen relatie heeft met de tijd en dat we bij eeuwige zaken niet van 'duur' moeten of kunnen spreken (o.a. in 5/23s, 5/29d etc.).

In definitie 8 van het Tweede deel had hij duur aldus gedefinieerd: "Duratio est indefinita existendi continuatio." ['Duur' is een onbepaalde voortzetting van bestaan, vert. Krop; Duur is onbegrensde voortzetting van bestaan, vert. Van Suchtelen]; en uit het hele verdere gebruik van de term en de behandeling ervan blijkt dat het gaat om het formele of actuele bestaan in de tijd - met een begin en een eind. Duur is 'durende tijd'. En tijd heeft niets met eeuwigheid van doen.

Maar Spinoza heeft zijn lezers wel eerst zelf op het verkeerde been gezet, doordat hij aan het eind van 5/20s schrijft dat hij tot daar alles behandeld heeft wat het huidige leven betreft [praesentem vitam] en eindigt met: "Tempus igitur jam est ut ad of illa transeam quae ad mentis durationem sine relatione ad corpus pertinent." [Het is dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking heeft op den duur des Geestes zonder verband met het Lichaam - vert. Van Suchtelen].

Daar gebruikte hij dus ten onrechte de term 'duur' in verband met het eeuwige aspect van de geest. En door het 'tegenwoordige leven' te gebruiken, suggereerde hij 'eeuwig leven' als een soort voortbestaan. En zo zette hij velen op het verkeerde been, want een voortzetting van het leven na de dood had hij - uiteraard - niet te bieden. Dat hij daar aan het eind van 5/20s de term 'duur' gebruikte was ronduit fout. Want er is helemaal geen "duur van de geest zonder relatie met het lichaam."

Hij spreekt zo dan ook niet meer wanneer hij dat gedeelte in het scholium bij 5/40 afsluit met te zeggen dat hij het tot daar had “de Mente, quatenus sine relatione ad Corporis existentiam consideratur” [over de geest zonder relatie tot het lichaam beschouwd, vert. Krop]. Daarbij eerder spreken van 'duur' was uiterst inadequaat - een fout van Spinoza. Het spijt me dat te moeten constateren.

                                               * * *

Hoewel, hoewel... 

In het kader van mijn blogs over de vergelijking van Spinoza met Bergson wat betreft hun ideeën over bestaan, duur en eeuwigheid, én tevens in verband met wat ik hier in dit blog in het kort aan de orde stel, verwijst ik naar een artikel van H.F. Hallett, "Spinoza’s Conception of Eternity" [in: Mind, Vol. 37, No. 147 (July, 1928), te vinden op de website van Maidansky. Het is ook hier als PDF te vinden]. De laatste alinea geeft mij te denken dat ik misschien toch te snel concludeerde..."

"In duration itself, therefore, we must find the clue to the concrete character of eternity; and though we may well admit that Spinoza passed too rapidly from the clue to the completion, and thereby short-circuited the current of intellectual criticism, and thus concealed the infinite content of eternity, yet we must hold that for him duration is the limited conception, and eternity the infinite. Deo infinita actu existentia competit... atque hanc infinitam existentiam Aeternitatem voco (Cog. Met. II. 1). And it follows further from the clue provided by perceptual experience, that the existence which is eternity is not an empty form of existence, but particular existence. For it is duration that constitutes the particular content of perceived existences, and it is eternity itself that exists in the eternal, and is thus the very content of the Heal. M. Bergson has made duration itself the ultimate reality, but for Spinoza eternity is the reality of duration, and therefore the very stuff of the Real. Quasi aeternitas absque essentiae divinae contemplatione intelligi posset, vel quid esset praeter divinam essentiam." 

Dit wijst terug naar een eerdere alinea: "Eternity is a kind of existence, it is existence par excellence, an infinite existence; or, as the formal definition runs: per aeternitatem intelligo ipsam existentiam, quatenus ex sola rei aeternae definitione necessario sequi concipitur (Eth. I. Def. 8); that is to say, where essence and existence are no longer distinguishable. One of Spinoza’s great sayings, characterised by his peculiar intensity of meaning and restraint of expression, is that in which he lays bare the source of the errors of metaphysical writers on this subject, as due to the fact that they attempt to explain eternity in abstraction from the nature of God or perfect being, quasi aeternitas absque essentiae divinae contemplatione intelligi posset, vel quid esset praeter divinam essentiam (Cog. Met. II. 1)."

Nog eens goed lezen dat artikel! 

                                                                    Stan Verdult 

____________________

Aanvulling 9 maart 2015
Vandaag ontdek ik dat Wallace I. Matson in "Body Essence and Mind Eternity in Spinoza.“ (1990) [cf. blog] de mogelijkheid openhoudt  dat in 5/20s durationem "is a slip of the pen" [p.85]. Ik was dus de enige niet...

Reacties

Ik denk niet dat Spinoza hier een fout maakt. Het 'eeuwige aspect van de geest' bestaat in 'de idee van God'. Dat is een oneindige modus (Gods oneindige verstand). Uit het bewijs van 1/21 volgt dat de idee van God eeuwig is in de zin van eeuwige duur.

Henk, die eeuwige 'duur' leg jij erin, Spinoza spreekt louter van aeterna. "Eeuwig in de zin van eeuwige duur," is een interpretatieve toevoeging. Op diverse plaatsen, o.a 5/23s, lezen we "nec aeternitas tempore definiri nec ullam ad tempus relationem habere potest," "ook kan de eeuwigheid niet door de tijd begrensd worden of met de tijd een relatie hebben." "Eeuwig bestaan", ja, "eeuwige waarheid", akkoord, maar "eeuwige duur" is een contradictoire koppeling van noties.

Stan, je hebt gelijk wat betreft 5/23s. Het staat er. Laat onverlet dat uit het bewijs van 1/21 volgt dat de idee van God eeuwig is in de zin van eeuwige duur. Verder denk ik dat alleen Gods wezen eeuwig is in de zin die jij aangeeft en dat dit niet geldt voor de modi die uit zijn wezen volgen (zoals blijkt uit 1/21). Dus misschien dat Spinoza zich vergaloppeert in 5/23s.

Ik bedoelde: God zelf, zijn wezen en zijn attributen, is eeuwig in de zin die jij aangeeft (overeenkomstig Spinoza's definitie van eeuwigheid).

Volgens vertaling Burger: "Het is derhalve nu tijd, om tot datgene over te gaan, wat tot de voortduring van den geest, zonder betrekking op het ligchaam, behoort."